Beste Timotheus… Brief van een aalmoezenier vanuit de gevangenis
Beste Timotheus…
Brief van een aalmoezenier
vanuit de gevangenis
Zaterdag 5 september, 8u:
ik meld me aan in De Kade, de nieuwe gevangenis van Antwerpen. Ik zal er samen
met 124 andere werknemers van justitie het weekend als gevangene doorbrengen
als een test van de gevangenis, en een oefening voor het personeel in deze
nieuwe omgeving. We zullen proeven van het gevangenisleven, maar weten tegelijk
dat het een luxesituatie is tegenover het echte gevangenisleven. Ik ben
benieuwd, en heb een positief soort van spanning, vergelijkbaar met de spanning
voor je je aan een parachutesprong waagt: ik kies hier zelf voor en kijk er ook
naar uit, maar ik ga er niet veel verder over nadenken, want misschien doe ik
het dan niet meer. Ik werk 7 jaar als aalmoezenier en ik weet dat het
gevangenisleven geen pretje is, zelfs niet in de modernste gevangenissen.
Maar laten we bij het
begin beginnen: we hebben een uitnodiging gekregen om hieraan deel te nemen
(onbezoldigd en uit vrije wil). Ze willen graag een mix van alle soorten
personeel uit verschillende gevangenissen en er zullen ook 15% Franstaligen
zijn. Ik schrijf me in. Bij inschrijving mogen we opgeven of we graag bezoek
willen ontvangen en mogen we de gegevens van maximaal 3 bezoekers doorgeven
(kinderen ook welkom, maar die worden niet meegeteld). Ik geef mijn lieve
echtgenoot op. Iemand gaan bezoeken in de gevangenis, als bezoeker, het zal
voor hem ook een nieuwe ervaring zijn.
Enkele weken later krijg
ik bericht dat ik bij de ‘gelukkigen’ ben. Twee keer zelfs: ik mag een
weekendje in de gevangenis doorbrengen, en ik mag bezoek ontvangen.
Daarna moet ik een
vragenlijst invullen: wil ik wit of bruin brood, ben ik vegetariër… Ik mag
belkrediet aanvragen, zodat ik vanuit de gevangenis kan bellen. Ik besluit om
dat niet te doen, want ik ben niet echt een beller. Ik kan ook kantine
bestellen, zelf te betalen. Op de lijst van de kantine: suikerwafel,
chocoladewafel, chips zout, chips paprika, Fanta, cola, water. Misschien ben ik
iets vergeten, maar dat was in elk geval de stijl. Buiten water (maar dat komt
ook uit de kraan), zijn het allemaal dingen die ik normaal niet gebruik. Dit is
één klein puntje waar gedetineerden het beter hebben dan wij, zij hebben een
uitgebreidere kantinelijst en kunnen bv ook fruit en groenten bestellen. Ik
snap dat het wat ingewikkeld zou zijn voor dit testweekend. Maar geen kantine
dus voor mij.
Daarnaast krijg ik in de
vragenlijst het voorstel om aan 2 activiteiten deel te nemen: ik mag werken en
dat is in de keuken of de leefeenheid. En ik kan ervoor kiezen om een boksles
te volgen. Bij dat werken denk ik: koken of poetsen, waarom zou ik me daar
vrijwillig voor opgeven. Doe ik dat al niet meer dan genoeg? Daar zeg ik dus
nee op. Die boksles: ook niet echt mijn ding. Maar ik maak de overweging dat we
waarschijnlijk niet tegen elkaar moeten boksen en dat boksen een behoorlijk
fysieke activiteit is. Dus ik geef hier een ja op.
Later krijgen we nog een
email waarin we te weten komen wanneer we ons juist moeten aanmelden, wat we
wel en niet mogen meebrengen. Onder andere: geen smartwatches (ok, nog even een
batterijtje gaan kopen voor mij horloge), en ook geen eten of drinken (ah,
jammer, niet zelf wat fruit meenemen dus).
Omdat ik vrijdagavond pas
om half tien thuiskom van mijn werk in de gevangenis, maak ik donderdag mijn
rugzakje al klaar. Ik besluit om een zakje met nootjes mee te smokkelen in mijn
toiletzak, en ook een paar zakjes thee. Als er alleen zwarte thee of koffie is,
dan kan ik gegarandeerd niet slapen ’s nachts. Ik kan het maar proberen, denk
ik. Het ergste wat er kan gebeuren is dat ze het afpakken.
Zaterdagochtend gaat de
wekker om 6u15. Ik neem een uitgebreid gezond ontbijt, neem afscheid van mijn
man. We bidden voor elkaar en om 7u15 stap ik op de fiets naar de Olieweg. Ik
weet dat dit allemaal luxe is tegenover wat heel wat gedetineerden meemaken.
Sommigen worden uit hun bed geplukt, krijgen niet eens de kans zich aan te
kleden en al helemaal niet om afscheid te nemen. Ze worden geboeid in een
politiebusje naar de gevangenis gevoerd. Ik kom rustig zelf aan in de
gevangenis, terwijl er nog heel wat volk toestroomt. Ik ga even vragen of ik
mijn fiets in de overdekte fietsenstalling mag zetten en krijg zowaar de code
van de fietsenstalling. We worden ook vriendelijk onthaald. Alles verloopt best
gemoedelijk.
En dan mag er een groepje
meegaan. Nu is het voor echt. Eerst moeten we alles afgeven dat niet mee mag
(gsm’s en zo). Dat wordt netjes per persoon bewaard. Dat is bij gedetineerden
ook zo. Dan gaat onze bagage door de scanner, is er een lichte fouille en
handmatige scan. Van mijn noten en thee wordt niets gezegd. We worden duidelijk
minder streng gecontroleerd dan in ’t echt. Een gedetineerde vraagt me
achteraf: “En moesten jullie je ook helemaal uitkleden en onder de douche gaan terwijl
er iemand staat te kijken?” Nee, gelukkig niet. Deze vernedering wordt ons
bespaard.
Ik herinner me niet juist
de volgorde, maar ik had het gevoel dat we van wachtzaal naar wachtzaal
moesten. Ik ben me er nooit zo bewust van geweest hoeveel wachtzalen er in een
gevangenis zijn. Maar na het inschrijven en het ontvangen van onze badge, worden
we richting onze cel begeleid. De badge opent alleen de deuren waar we
effectief door mogen, dus we kunnen niet op een foute plek terecht komen. Mijn
cel is op het gelijkvloers, 2 cellen verder zit onze directeur-generaal. Mooi
dat ze dit ook meedoet.
Het is ongeveer 9 uur als
ik daar uiteindelijk ben. Elke celdeur heeft een winket, een venstertje
waardoor men kan kijken, maar dat ook afgesloten kan worden. Hier zijn het
winketten die open en dicht geschoven kunnen worden. Het mijne staat open bij
aankomst en dat vind ik best aangenaam. Zo kan ik een beetje zien wat er op de
gang gebeurt. Het blijft een tijdje open staan, maar een even later doet een
cipier het toch dicht.
Ik installeer me in mijn
cel: een monocel met eigen badkamer. Ik bekijk de papieren die we meekregen,
meld me aan bij Telio, het platform waarmee de onlinecommunicatie in de
gevangenis gebeurt, maar waarmee je ook naar buiten kan bellen. In de papieren
lees ik dat ik een opdracht heb gekregen voor tijdens mijn boksles. Ik heb
zogezegd met een andere gedetineerde afgesproken een pakje van hem te
ontvangen. Dat ligt verstopt in de fitnessruimte. Ik moet het ongemerkt zoeken
en meenemen naar mijn cel. Dat is een spannende opdracht. Ik weet niet hoe het
pakje en de fitnessruimte eruitzien. Ik ben geen held in liegen en doen alsof.
Geen idee of het me zal lukken.
Er is een schema met de
planning van dit weekend. Ik zie dat er zowel zaterdag als zondag een fitnessmoment
voorzien is, maar ik heb geen idee wanneer de boksles is gepland. Later komt er
een chef langs en ik vraag het hem. “Ze zullen je wel komen halen als je aan de
beurt bent.” Nu ben ik zelf niet zo gestructureerd en georganiseerd; een beetje
chaos ervaar ik als iets dat kleur geeft aan mijn leven. Voor het eerst ervaar
ik dat structuur ook veiligheid biedt. Ik had het echt prettig gevonden te
weten wat me te wachten staat.
Er staat ook geen lunch op
de planning van zaterdag. Om 12u begint mijn maag te rommelen. Ik ben dan ook
al lang op. Komt er lunch of niet? De cipier gaat het navragen. Er zijn nog
mensen met honger. Wat later komt hij zeggen dat het eten pas tussen 14 en 15u
geleverd wordt. Ik ben zo blij met mijn noten! Maar de informatie blijkt ook
niet te kloppen, want om 13u komen ze een lunchpakket brengen: twee zachte
pistolets (één met kaas en één met hesp), een suikerwafel en een appel. Zo blij
met de appel. Alleen: hoe schil je die met een bot mes? Dan maar goed wassen
zeker?
Ik heb me voorzien om de
dag in afzondering door te brengen. Ik heb mijn Bijbel mee en het vaste
voornemen om extra tijd met God door te brengen. Daarnaast heb ik een brief mee
van een gevangene die van gevangenis is veranderd, en met wie ik af en toe
schrijf. Ik ga de tijd nemen om hem te beantwoorden. Ik heb materiaal mee om
een preek voor te bereiden, en een Christelijke roman.
Tijd met God staat als
eerste op mijn programma. Hoewel het heerlijk weer is buiten, is het binnen
echt koud. Ik doe sokken aan en kruip onder het fleece deken dat we kregen.
Mijn Bijbeltje gaat open, ik lees een beetje en sluit mijn ogen om te horen wat
God me te zeggen heeft. Er komt een cipier langs; eens checken of alles ok is.
“Oh, je bent al aan het slapen”, zegt hij. “Nee, ik was aan het bidden.” Een
antwoord dat hij duidelijk niet verwacht had. Hij was wel erg vriendelijk en ik
vond het erg attent dat ze spontaan langskomen om te vragen of alles ok is. Hierbij
komen de verhalen van gedetineerden in mijn gedachten die voor het eerst in de
gevangenis belandden, en hoe overrompelend die ervaring is. Het is zo
betekenisvol dat er even iemand nagaat of het allemaal lukt of er nog vragen
zijn. Ik laat aan de cipier weten dat ik het echt koud heb. Daarmee ben ik
blijkbaar ook niet de eerste. Later verhogen ze de temperatuur van de
verwarming. Verwarming? Echt? Bij mij thuis heeft de verwarming nog niet
opgestaan. Maar dat is wel veelbelovend voor hete zomerdagen. Hier zullen ze
dan waarschijnlijk niet wegsmelten onder de hitte die niet uit het
gebouw te krijgen is.
Na dit intermezzo besluit
ik om aan mijn brief te beginnen. Ik lees eerst de brief van de gedetineerde na
en ben ontzettend trots op de stappen die deze man heeft gezet en nog zet. Er
is zoveel openheid om zijn moeilijkheden aan te pakken en om met God hierin op
weg te gaan. Het is dus absoluut niet moeilijk om een bemoedigende brief te
schrijven. Later herinnert iemand me eraan dat het dat is wat Paulus ook deed
in de gevangenis: bemoedigende brieven schrijven. Oh, wel, blij dat ik even in
de voetsporen van Paulus mocht wandelen, ook al zat ik niet gevangen omwille
van mijn geloof.
Wat duren die uren in
afzondering lang, vooral omdat je vastzit, nergens heen kan. Zou ik straks naar
de fitness mogen? Verder staat er vandaag niets op mijn programma, buiten de
wandeling ’s avonds. Hoe laat is het avondeten ook alweer? De structuur in een
dag: ik had echt nooit gedacht dat ik er zo’n deugd aan zou hebben. En dan die
geluiden op de gang en boodschappen doorheen de intercom…Maar je hebt geen idee
wat er buiten je cel gebeurt. Ik probeer aan mijn preek te werken, maar het
lukt niet goed. De radio even opzetten? Meestal ervaar ik radio als lawaai.
Misschien even naar het nieuws luisteren. Tja, dat duurt ook niet lang. Radio
Maria? Toch wel benieuwd wat dat geeft. Even luisteren. Oh, aanbiddingsmuziek,
in veel talen. Dat kan me wel bekoren. Tot ze beginnen praten en het hebben over
rozenkransen en bedevaarten. Dan maar weer wat stilte. Maar de
aanbiddingsmuziek heeft me wel naar mijn preek gebracht. Ik ben eraan begonnen.
Ik moet denken aan een heel creatieve gedetineerde die me vertelde dat ze zo
vaak geen inspiratie heeft, zo alleen opgesloten op haar cel. Ik vond dat zo
jammer voor haar, want ja, daar op die cel heeft ze tijd. Nu begrijp ik het van
binnenuit. Mijn inspiratie komt moeilijk op gang.
Gelukkig heb ik nog een
roman van 400 bladzijden bij. Die neemt me mee naar een andere wereld. Die
roman is dan ook uit op het einde van het weekend.
Een TV is er ook…met een
60-tal posten. Maar geen VRT-max waar je zelf kan kiezen. Je moet kijken wat er
op dat moment speelt. En wat een rommel toch allemaal. Niks waar ik blij van
word, ook niks waar ik ’s avonds van in slaap val. Nee, TV is niet mijn
bondgenoot.
Eindelijk is het tijd voor
avondeten. We mogen zelf even een plateau ophalen. De celdeur gaat dus open. Ik
ben blij dat ik even buiten de cel mag. Een cipier begroet me met: “Schoenen aandoen”.
Schoenen aandoen? Ik moet maximum 10 stappen zetten tot aan mijn plateau. Wat
is daarvan het nut? Maar ik zeg niks en gehoorzaam. Dat wordt van een goede
gedetineerde verwacht, ook al snap je de regel niet.
Ze zijn op de derde
verdieping met etensbedeling begonnen. Omdat ik op het gelijkvloers zit, ben ik
bij de laatsten. We krijgen een plateau waar het eten voor vanavond,
morgenvroeg en morgenmiddag op ligt. Het zijn frietjes en die worden apart
opgeschept. De beambten zien dat er nog genoeg zijn en omdat we de laatsten
zijn, krijgen we een extra schepje. De
frietjes zijn wel koud. Buiten de koude frieten was het eten best lekker: een
lekkere groentesoep, rundsburger met pepersaus, wortelen en chocomousse als
dessert (de goedkope supermarktvariant). Als ik naar mijn cel terugga, zet ik
stiekem mijn winket terug open. Het voelt zo anders om iets te kunnen zien. Een
half uurtje later zie ik dat het alweer dicht is. Jammer. Dan maar uitkijken
naar de avondwandeling.
Wat later dan op de
planning is het eindelijk zover: de avondwandeling. Wat een drukte hier. Hm, ik
ken hier niet echt iemand, buiten de directeurs van de Antwerpse gevangenis. Ik
probeer contact te maken met iemand, maar die bleek er niet echt voor open te
staan. De meeste mensen kennen volk uit hun eigen gevangenis, maar gezien ik in
twee gevangenissen één dag per week werk, en ik ook niet goed ben in het
herkennen van gezichten, krijg ik niet direct aansluiting. Ik zie een man die
aan een redelijk tempo rondjes aan het lopen is. Hoewel mijn kledij er niet aan
aangepast is, vraag ik hem of ik mag meelopen. Dat mag, en we hebben al lopend
een babbel. Hij heeft zijn smartwatch binnengesmokkeld, want ja, anders worden
de stappen niet geteld. We lopen een kleine 5 km samen. Terwijl we aan het
lopen zijn, valt er een pakje voor mijn voeten. Ik denk dat het over de muur
gegooid is. Ik ben nieuwsgierig en raap het op. Het is een sigarettendoosje
zonder sigaretten en er zitten steentjes in. Wacht, wat is hier de bedoeling
van? Was het iemands taak om dit te vinden? Of kan ik opgepakt worden omwille
van ‘illegaal materiaal’? De volgende ronde laat ik het op dezelfde plaats terugvallen.
De daaropvolgende ronde is het weg. Nog wat later word ik aangesproken: “Je hebt
dit laten vallen”. “Nee, nee, dat werd over de muur gegooid en ik was
nieuwsgierig, maar het is niet van mij”. Ik hoor er daarna niks meer over en
ben nu nog steeds nieuwsgierig wat de bedoeling hiervan was. Maar misschien
moet je in de gevangenis niet te nieuwsgierig zijn.
Na de 5 km lopen, wandel
ik nog even samen met de directeur die altijd verantwoordelijk is geweest voor
de aalmoezeniers. Ik zeg hem: “Niet echt veilig hé, voor een directeur op de
wandeling?” Hij zegt dat hij dat af en toe wel eens doet. En ja, ik moet
toegeven, zo ken ik hem. Hij maakt echt contact met gedetineerden. Ze zijn
allemaal erg positief over hem omdat ze zich door hem gezien en gehoord voelen,
zelfs als hij een beslissing moet nemen die niet prettig is. Zo een directeur
hebben, maakt echt een verschil voor gedetineerden en ook voor werknemers. Een ‘nee’,
is niet gewoon een ‘nee omdat ik het zeg’, maar ze heeft een reden.
Na de avondwandeling zet
ik mijn winket terug open. Ik ga op de vensterbank zitten, want ik zit aan de
westkant en kan genieten van een mooi uitzicht met prachtige zonsondergang. Ik
merk niet eens dat het winket terug gesloten wordt.
Andere gedetineerden
roepen tegen elkaar. Ik snap het. Je zoekt contact. Zelf heb ik niemand hier om
mee te roepen, dus ik hoor het maar wat aan tot het tijd is om te gaan slapen.
Terwijl ik daar zit moet
ik denken aan die gedetineerden die in een zeer streng bewakingsregime zitten,
jaren aan een stuk. Ze doen dit tegenwoordig met de hogere drugsdealers, de drugsbaronnen
zoals ze die noemen. Ik mag hier geen oordeel over hebben, dat is niet mijn
taak. Maar ik zie hoe zwaar het is voor deze mannen. Ze mogen nooit contact
hebben met andere gedetineerden. Ik heb even mogen proeven hoe heftig dat kan
zijn. Onmenselijk zou ik het noemen.
Zondagochtend ben ik vroeg
wakker en besluit ik me uitgebreid te douchen. De badkamertjes zijn wel zo
klein dat alles mee nat wordt. Dus na het douchen heb ik meteen de badkamer
schoon gemaakt. Niet simpel met die klapdeurtjes die nogal straf weerstand
bieden en niet open blijven. Ik zit meermaals geklemd tussen de twee deuren.
Wat is hier de bedoeling van?
Om half negen mag de derde
verdieping koffie of thee gaan halen. Ik begin al maar te eten. Ik drink erna
dan wel. Om half tien komen ze op het gelijkvloers met de mededeling dat er
geen koffie meer is. Die moet opnieuw gezet worden en dat kan een tijdje duren.
Water voor thee is er gelukkig wel. En muntthee. Mijn gesmokkelde theezakjes
waren dus niet nodig. Ik ben nog maar pas binnen met mijn thee of ik word opgeroepen
voor mijn bezoek. Dat gaat tenminste op tijd door. We worden naar een wachtzaal
geleid. Ik hoor verhalen van anderen, over de taken die ze kregen. Iemand moest
een scherp voorwerp uit de keuken halen en was er inderdaad in geslaagd om een
schaar mee te nemen naar zijn cel. Die wachtzaal … dat blijft maar duren.
Enkele mensen mogen mee naar de bezoekzaal, maar dan toch weer niet. Terug die
wachtzaal in. En dan is het eindelijk zover. We moeten een fluohesje aantrekken
dat erg duidelijk maakt wie bezoeker is en wie gedetineerde. Helemaal achteraan
zie ik mijn man aan een tafeltje zitten wachten op mij. De bezoekerszaal in de
gevangenis is voor ons allebei een nieuwe ervaring. Er zijn ook kinderen
meegekomen en er zijn speelruimtes voor de kinderen. Daar mag het bezoek wel
mee naartoe, de gedetineerden niet. Die hebben ze wel allemaal met hun gezicht
naar de speelruimtes gezet, zodat ze naar hun spelende kinderen kunnen kijken.
Bezoekers kunnen ook iets
te eten of te drinken kopen, ook voor de gedetineerde die ze bezoeken. Wel fijn
om even mijn verhalen kwijt te kunnen en te weten wat er ondertussen in de
buitenwereld gebeurd is. Het bezoek is uiteindelijk wat later gestart en ze
komen zeggen dat het wat langer zal duren. Ik vraag hoe het dan zit met de
fitness die vlak erna zal doorgaan (want ja, ik heb een taak). Ze stellen me
gerust, ze zullen wel wat wachten.
En dan is het tijd om
afscheid te nemen. “Mogen we een kus geven?”, vragen we voor de zekerheid. “Dat
mag, maar niet overdrijven hé!” Dat zullen we niet doen.
We worden terug naar een
wachtzaal geleid en moeten weer wachten. Verschillende mensen moeten naar het toilet,
want ze hebben tijdens het bezoek gedronken. Maar dat kan niet. “Wachten tot op
je cel.”
We mogen met onze badge
zelfstandig naar onze cel. Ik vraag nog naar de fitness, maar alle activiteiten
zijn al van start gegaan. Ik had ondertussen zo uitgekeken naar die boksles,
waar ik aanvankelijk eigenlijk geen zin in had. Daar ga ik weer, alleen naar
die cel. Ik bedenk nog dat het toch wel fijner was geweest om ook te kunnen
werken. Ik kan het niet over mijn hart krijgen om mijn celdeur zelf dicht te
trekken. Ik laat ze op een kier staan. Het duurt weer even voor het opgemerkt
wordt en dan even heb ik toch het gevoel niet opgesloten te zitten.
Ik poets mijn cel, doe de
afwas, trek de lakens af, pak mijn rugzak in. Ik richt me op mijn roman die me
nog even weghaalt uit deze te kleine wereld. Die preek afwerken, dat zal voor
een andere keer zijn. We mogen nog even van cel om lakens en dergelijke bij de
was te doen. Ik zet terug mijn winket open. Om 15u is het zover, ze beginnen op
de derde verdieping om mensen weer te laten gaan. Door mijn winket kan ik zien
dat er zich veel mensen beneden verzamelen. Waarom ze nog wat wachten met het
gelijkvloers, is een raadsel. Dan mogen we ook onze cel verlaten. Al de anderen
mogen vertrekken, maar die paar mensen op het gelijkvloers laat hij nog even
wachten. “Geen vragen bij stellen”, denk ik nog, “hij moet ons toch laten
gaan.” En ja hoor, dan mogen wij ook gaan. Blij dat het achter de rug is.
Buiten worden we onthaald met een kleine receptie. Ik blijf even, maar wil
eigenlijk gewoon naar huis. Fijn in de tuin gaan werken, want het is lekker
weer en ik heb de zon echt gemist en de vrijheid, de lichaamsbeweging, de
liefde van mijn lieve man, …
Blij dat ik hier volgende
keer langs de personeelskant naar binnen mag. Ik schrijf mijn brieven wel van
thuis. Ze zullen ook bemoedigend zijn.
Reacties
Een reactie posten